Kinderen, en eigenlijk alle mensen, verkennen de wereld graag met hun zintuigen: kijken, luisteren, aanraken, proeven, ruiken en bewegen. Sensorisch spel heeft een positieve invloed op de werking van het lichaam, de hersenen en op het welbevinden.
Door in je klas of praktijk bewust sensorisch spel aan te bieden, geef je kinderen meer mogelijkheden om te ontdekken, te reguleren en te leren.
Tegelijk is het belangrijk dat kinderen ook leren luisteren naar signalen uit hun lichaam, zoals dorst, honger of nood aan pauze, zodat ze tijdig kunnen stoppen of iets aanpassen.
Wat is sensorisch spel?
Sensorisch spel is spel waarbij kinderen volop gebruikmaken van hun zintuigen om materialen, bewegingen en situaties te verkennen.
Het gaat dus niet alleen over “voeldozen” of “sensorische bakken”, maar ook over beweging, geluid, temperatuur, geur, gewicht, evenwicht, enzovoort. Denk aan spelen met water, zand, stenen, scheerschuim, rijst, bladeren, maar ook rollen, klimmen, schommelen, springen of met verschillende materialen bouwen.
Het doel is niet om een “mooi resultaat” te maken, maar om ervaringen op te doen en nieuwe verbindingen in de hersenen te leggen.
Hoe past dit in hun ontwikkeling?
Actief je zintuigen gebruiken en aandacht hebben voor signalen uit je lichaam én uit de omgeving heeft een grote impact op de ontwikkeling. Kinderen leren omgaan met prikkels die binnenkomen, verbanden leggen tussen verschillende zintuiglijke ervaringen, selecteren waarop ze ingaan en wat ze mogen negeren, en hun bewegingen aanpassen aan wat de situatie vraagt.
Een eenvoudig voorbeeld is spelen met een steen. Een kind ziet de steen, voelt of het oppervlak glad, ruw of oneffen is, voelt hoe zwaar hij is, hoort het geluid als de steen ergens op valt of over de grond schuurt en ontdekt wat er gebeurt als het de steen rolt of gooit. Door met veel verschillende stenen te mogen spelen, bouwt het kind kennis op over gelijkenissen en verschillen tussen stenen en over wat je ermee kan doen. Die informatie wordt opgeslagen via het spel en vormt een rijke basis voor later leren.
Sensorisch spel is bij uitstek “bottom‑up”: kinderen leren van onderuit, vanuit doen en ervaren, en niet via uitleg of nadenken alleen. Dat kost minder mentale energie, brengt meer plezier en helpt hen om makkelijker tot rust te komen of net actiever te worden als dat nodig is.
Hoe meer zintuigen betrokken kunnen worden bij een spel, hoe meer er geleerd en onthouden wordt – dat geldt voor jonge kinderen, maar net zo goed voor oudere kinderen en volwassenen.
Voor welke kinderen is dit?
Het is voor baby’s, peuters, kleuters én lagere schoolkinderen belangrijk om veel sensorische ervaringen te mogen opdoen. Zo krijgen ze de kans om zich op een natuurlijke manier te ontwikkelen en prikkels te zoeken die ze nodig hebben. De meeste kinderen doen dit spontaan, zolang we hen niet te veel afremmen of beperken.
Ook pubers en jongeren hebben sensorische input nodig, al ziet die er anders uit. Denk aan nood aan beweging tussen lessen door, muziek luisteren, friemelmateriaal gebruiken, sporten, dansen of creatieve activiteiten zoals tekenen en boetseren. Sensorische ervaringen helpen hen om spanning te ontladen, zich te concentreren en emoties te reguleren, ook al benoemen ze dat zelf niet altijd zo.
Sensorisch spel is dus relevant voor alle leeftijden en kan telkens aangepast worden aan het ontwikkelingsniveau, de interesses en de noden van het kind of de jongere.
Voorbeelden van activiteiten:
Hier onder vind je vier invalshoeken die je in je klas of praktijk kan gebruiken.

1. Activiteiten met het hele lichaam
Hier gaat het om spel waarbij kinderen hun hele lichaam en grote bewegingen gebruiken. Bijvoorbeeld:
- Parcours bouwen met matten, kussens, banken en blokken om te kruipen, klimmen, rollen en springen.
- Schommelen, wiebelen op balance boards, in doeken hangen of rollen in een deken.
- Spelletjes als tikkertje, dierennamen koppelen aan verschillende manieren van bewegen (tijgeren, springen als een kikker, sluipen als een kat).
Kinderen ervaren hierbij hun evenwicht, spierkracht, snelheid, grenzen van hun lichaam en de impact van hun bewegingen op de omgeving. Jij kan observeren hoe ze hun bewegingen doseren, of ze risico’s goed inschatten en wanneer het te veel of te weinig wordt.
2. Activiteiten met extra prikkels
Hier zet je extra in op voelen, horen, zien, ruiken of proeven. Bijvoorbeeld:
- Voelbakken met materialen als rijst, bonen, zand, maïs, watten, ijsblokjes of scheerschuim (eventueel met lepels, potjes, trechters).
- Experimenteren met licht en kleur: zaklampen, gekleurde folie, lichttafel met doorschijnende materialen.
- Geurpotjes met kruiden, thee, citrusvruchten of geurende zeep; eventueel gecombineerd met taal (“welke geur past bij welke herinnering?”).
Je kan kinderen uitnodigen om te beschrijven wat ze merken, keuzes te maken (meer, minder, anders) en te zoeken wat hen helpt om te focussen of tot rust te komen.
3. Activiteiten zonder de ogen te gebruiken
Door tijdelijk één zintuig “uit te schakelen” (meestal zicht), worden andere zintuigen extra aangesproken. Bijvoorbeeld:
- Voelspelletjes met een blinddoek: voorwerpen herkennen op basis van vorm, grootte, textuur of temperatuur.
- Over een eenvoudig parcours wandelen met gesloten ogen, terwijl een klasgenoot of therapeut begeleidt via stem of een zachte aanraking.
- Geluidenspel: voorwerpen in blikjes stoppen en raden wat erin zit op basis van het geluid, of muziek beluisteren en bewegingen laten ontstaan uit wat kinderen horen.
4. Eigen keuzes laten maken en aansluiten
Je kan kinderen ook gewoon laten ontdekken, observeren waar ze naartoe gaan en wat ze doen, en vervolgens aansluiten, uitdagen of net begrenzen waar nodig.
Al deze activiteiten versterken lichaamsbesef, vertrouwen in anderen, discriminatie in de verschillende zintuiglijke systemen en daardoor ook de executieve functies zoals probleemoplossend denken, planning en emotieregulatie.
Wat doe je als kinderen die prikkels niet goed kunnen verwerken?
Soms lukt het een kind niet om alle prikkels die binnenkomen te verwerken tot gedrag dat past bij de situatie. Je ziet dan bijvoorbeeld dat een kind erg moe of prikkelbaar wordt van spel, net heel wild en onrustig blijft, of helemaal niet tot spel komt.
In zulke situaties heb je meer inzicht nodig in de prikkelverwerking van dat kind om het spel en de omgeving goed af te stemmen. Door gericht te kijken naar welke prikkels al vlot verwerkt worden en waar het stroef loopt, kan je activiteiten aanpassen, doseren of uitbouwen zodat leer‑ en groeiprocessen zich toch kunnen voltrekken.
Wil je meer weten?
Wil je hiermee aan de slag gaan in je klas of praktijk, maar zoek je houvast? Ik denk graag met je mee in supervisie of een cursus rond zintuiglijke informatieverwerking waar zintuiglijk spel een onderdeel van is.
